Skip to main content

Trauma flashback

Reflectie op een scenariocliché door student Maarten Schumacher

Een karakter heeft een probleem, confronteert een jeugdtrauma in een flashback, en is uiteindelijk genezen. Deze boog duikt in hedendaagse verhalen zo vaak op dat hij gemakkelijk als een cliché wordt ervaren. Toch blijft hij hardnekkig terugkeren. Hoe gaan we als schrijvers met deze boog om? Is de oplossing om genuanceerder te werk te gaan, de boog te omhullen met voldoende emotionele complexiteit en diepte, zodat de essentie ervan niet meer direct zichtbaar is? Of vermijden we juist de flashback, omdat die de boog te plat en voorspelbaar maakt?

Maar wat als het probleem elders ligt? Veel varianten van de “traumaboog” lijken te vertrekken vanuit het idee dat psychische symptomen hun oorsprong hebben in een traumatische ervaring. Dat sluit aan bij een invloedrijk model binnen de psychiatrie en psychologie, waarin trauma een centrale verklarende rol speelt, naast andere mogelijke factoren zoals biologische aanleg. Maar wat gebeurt er als we dit uitgangspunt niet als vanzelfsprekend aannemen, maar het ter discussie stellen? Misschien ligt daar een interessantere manier om het cliché te doorbreken dan in stilistische nuance of structurele omwegen.

Het idee dat trauma symptomen veroorzaakt, is al bij Freud te vinden aan het einde van de 19e eeuw. Hij zag trauma als een overweldigende ervaring die verdrongen wordt in het onderbewuste, wat later tot problemen kan leiden. Deze theorie stuitte echter al snel op beperkingen: Freud merkte dat het simpelweg oprakelen van trauma's zijn patiënten niet genas. In zijn analyse van de Wolfman in 1918 deed Freud een belangrijke ontdekking die zijn denken over trauma volledig veranderde.

De Wolfman (zo genoemd vanwege een belangrijke nachtmerrie over wolven) had dit trauma: als peuter was hij getuige van anale seks tussen zijn ouders. Freud ontdekte dat deze herinnering pas jaren later traumatisch werd, toen de Wolfman als kind begon na te denken over seks. Voor de peuter zelf was de ervaring onbegrijpelijk, dus niet traumatisch. Voor het jonge kind, dat worstelde met vragen als “waar kom ik vandaan?”, werd de herinnering pas later relevant en traumatisch. Trauma ontstaat dus niet door de pijn van de oorspronkelijke ervaring, maar doordat de herinnering als het ware past op het “zwarte gat” dat door existentiële vragen wordt geopend: wat ben ik? Voor Freud werd trauma structureel; de traumatische ervaring zelf was secundair.

In principe laat dit existentiële perspectief zich ook toepassen op trauma’s bij volwassenen. Als ik bijvoorbeeld morgen een terroristische aanslag zou overleven, dan ligt het traumatische — vanuit deze lezing — misschien niet in het feit dat ik bijna dood was, maar in de plotselinge confrontatie met een vraag die normaal op afstand blijft: als ik nu zou sterven, wat was dan de betekenis van mijn leven?

Het is niet mijn bedoeling te beweren dat deze theorie de enige juiste is. Andere psychoanalytici hebben weer compleet andere ideeën over trauma. Maar wij schrijvers hoeven ons gelukkig geen zorgen te maken over juistheid, alleen om wat een interessant verhaal maakt. Psychoanalyse kan daarbij een rijke bron van inspiratie zijn, omdat zij niet stopt bij praktische oplossingen, maar blijft doorvragen naar het hoe en waarom van menselijk lijden.

Als we het beschreven model volgen, worden onze karakters niet opgelost in de klassieke zin. Hun boog bestaat niet uit genezing, maar uit het leren verdragen van het zwarte gat dat door existentiële vragen wordt geopend. Zoals in het einde van Fight Club: “You met me at a very strange time in my life.”