Skip to main content

Never take advice from anybody

Student Luuk Audenaerde over waarom hij als autodidact toch voor de Scenariovakschool koos.

Toen de Amerikaanse New Hollywood-regisseur Robert Altman ooit de vraag kreeg welk advies hij jonge filmmakers zou geven, antwoordde hij: "Never take advice from anybody."

De zomer voordat mijn filmopleiding zou beginnen, was het me gelukt om op eigen initiatief een filmproductie op poten te zetten. In de roes van deze overwinning herkende ik mezelf volledig in de cocaïnegedreven rebellie van de jonge Paul Thomas Anderson (een protegé van Altman) die in interviews filmscholen een ‘waste of time and money’ noemde. Hij stopte na twee dagen met zijn studie en maakte zijn eerste korte film met het collegegeld dat hij daarvan overhield. Een paar jaar later veroverde hij op 28-jarige leeftijd de filmwereld met Boogie Nights.

Als tiener – en eigenlijk nog steeds – verslind ik zijn interviews. In zijn nonchalante zelfvertrouwen, trotse cinefilie en vrije makersdrift, ongeremd door institutioneel denken, herkende ik een ideaal: dat van de autonome auteur-filmmaker. Met dit ideaal op zak hield ik het op de filmopleiding, misschien niet geheel onverwacht, nog geen vier maanden vol. Ik voelde me geremd door een stapsgewijs leerproces waarin precies die makersdrift werd afgevlakt.

Wat volgde was een periode van viereneenhalf jaar als autodidact. Hoewel er op de eerste korte film uit die tijd veel aan te merken viel, was het resultaat persoonlijk en eigenzinnig op een manier die alleen ik had kunnen maken. Wanneer we spreken over de 'stem van een maker', klinkt dat vaak als een groot, abstract begrip. Voor mij is het echter een sensibiliteit: de onmeetbare smaak en gevoeligheid die ten grondslag ligt aan het makerschap. Ik geloof dat het de grootste verantwoordelijkheid van een artiest is om die eigen sensibiliteit te cultiveren en koste wat het kost te beschermen.

In die autodidacte jaren begon er echter ook veel te knagen. Ik probeerde me te oriënteren in het ingewikkelde landschap van de Nederlandse filmindustrie en maakte kennis met talenthubs, ontwikkelingstrajecten, opleidingen en subsidies. Hoe meer ik leerde over de werkelijke totstandkoming van films in Nederland, hoe groter mijn innerlijke weerstand werd. Terwijl andere makers samenwerkten met producenten en fondsen, spaarde ik geld van bijbaantjes om mijn eigen projecten te bekostigen. De industrie werd iets om te vermijden; het voelde namelijk alsof het me weghaalde van mijn veilige ideaalbeeld. Ik zag het Nederlandse subsidiesysteem als een beperkende kracht, dat intuïtie reduceerde tot het rationele en meetbare. De kunstenaar wordt hier geacht niet alleen te creëren, maar vooral ook te verklaren.

Als buitenstaander begon er echter ook een gevoel van stagnatie te groeien. Ik merkte dat ik nauwelijks nog de moeite deed om uit mijn kritiekloze bubbel te stappen. Tijdens de totstandkoming van mijn laatste korte film dwong ik mezelf tot verandering. Door het project te pitchen maakte ik kennis met producenten en ontving ik, via een talenthub, mijn eerste subsidie. In het maakproces van deze laatste film voelde het alsof mijn ontwikkeling in een stroomversnelling kwam en ik had er alles voor over om me aan deze stroom vast te houden. Langzaam begon ik mijn aversie tot het concept van een opleiding te herzien. Zo kwam de Scenariovakschool uiteindelijk op mijn pad.

Het zou mij, een paar jaar geleden, hebben verbijsterd hoeveel ik inmiddels op de Scenariovakschool heb opgestoken. Hoewel ik meer dan een aantal theoretische concepten al kende uit mijn zelfstudie, blijkt de voortdurende oefening ermee essentieel. Ik denk scherper in verhaalstructuur, pas theorie bewuster toe en word continu uitgedaagd in mijn vooroordelen. Minstens zo belangrijk is het gezelschap van mijn medestudenten; in het onderling sparren en elkaar enthousiasmeren zit het grootste plezier! Ik heb in korte tijd op de opleiding al een sterkere ‘verhaalspier’ gekweekt. Natuurlijk is er soms frictie, maar in plaats van dicht te klappen, zie ik het nu als de soort vuurproeven waar sterke wapens in gesmeed worden.

Mijn jaren als autodidact zie ik niet als verspilling. Integendeel: ze gaven me het nodige zelfvertrouwen in mijn eigen stem en intuïtie. Omdat ik gevoelig ben voor hiërarchie, kan een oordeel van bovenaf me doen bevriezen of verleiden tot goedkeuring zoeken. De autonomie was voor mij in het begin noodzakelijk om die eigen stem te vinden.

De filmwereld zit vol met poortwachters, voorwaardelijkheden en reglementen die het makerschap aantasten en eigenzinnigheid afvlakken. Maar juist de Scenariovakschool daagt me uit om die moeilijkheden te gebruiken als potentie tot groei. Ik leer met feedback omgaan, maak theorie mij eigen en word bewust gemaakt van een breed scala aan andere perspectieven. De crux blijft de spanning tussen het beschermen van je eigen 'muse' en het openstaan voor externe invloeden die het werk naar een hoger niveau tillen. Het is precies die wederzijdse beïnvloeding die het makerschap levend houdt.