Terug naar hoofdinhoud

De Dolly Parton-factor

Door Sytske Kok

Eind augustus, bij een rondetafelgesprek van scenaristen en regisseurs met Sebastiaan Leeman en Marianna Sterk, respectievelijk genremanager en genrecoördinator fictie van de NPO, stelde regisseur Bobby Boermans ter afsluiting de vraag: waar kunnen wij ons als sector nog verder in ontwikkelen?

Voor Sebastiaan Leeman lag het antwoord in een wedervraag: Hoe kunnen we een praktisch opgeleid en/of jong publiek beter bereiken? Een collega-scenarist die ik dit vertelde liet zich ontvallen: ‘niet door al het drama achter een betaalmuur te plaatsen’, en ik denk dat ze daar een goed punt heeft. Nu NPO-drama niet langer primair wordt gemaakt voor lineair kijken, maar hoofdzakelijk voor on demand kijken, zullen we nog beter moeten weten hoe makers en publiek elkaar kunnen vinden.

Op weg naar huis bleef ik hierover nadenken. Een paar dagen eerder was Dolly Parton ons ontvallen en in alle nabeschouwingen werd ze geroemd om haar verbindende kracht. Zij was bij uitstek iemand die zowel praktisch- als theoretisch opgeleid Amerika van links tot rechts wist te raken en te vermaken. Op een fysiek, emotioneel en intellectueel niveau.

Tijdens de jaarlijkse bijeenkomst die wij een paar weken later voor onze docenten organiseerden hield scenarist en Oscar-winnend regisseur Mike van Diem ons, naar aanleiding van een vergelijkbare vraag over ‘de maker en haar publiek’, zijn axioma voor: ‘Maak altijd de film die je zelf wil zien.’ Dan komt het publiek ook wel, was daarbij de impliciete boodschap. Met zijn film Voor de meisjes bereikte van Diem afgelopen jaar 325.000 bezoekers en was daarmee de best bezochte Nederlandse film van 2025. Zou het dan inderdaad zo simpel zijn?

Bij de analyse van het succes van zijn film ging Van Diem tijdens de docentenbijeenkomst in op het vakmanschap dat erachter zit. Hij denkt lang na over de constructie van het verhaal voor hij aan een scenarioversie begint. Hij wil eerst helemaal de puzzel leggen van hoe het verhaal door zijn opbouw met de meeste impact op een publiek verteld kan worden, daarna pas volgt de scenische uitwerking.

In die uitwerking is het voor Van Diem belangrijk om zijn kijker aan te spreken op een fysiek niveau. Zo introduceert hij het personage waarmee wij ons als kijker het meest moeten gaan verbinden middels zogenaamde ‘fysieke emoties’, anders gezegd: hij laat zijn personages zichtbare zintuigelijke ervaringen hebben.

Denk in het geval van Voor de meisjes aan het moeizaam beklimmen van een trap, het eten van een droge cracker en het stiekem roken van een peuk. Het zijn dit soort zintuigelijke ervaringen die ervoor zorgen, zo leerde hij op zijn beurt van filmmaker Wim Verstappen, dat wij ons meteen op een fysiek-emotioneel niveau met het personage gaan verbinden.

Het vakmanschap van hoe je een verhaal vertelt is ook bij ons op de opleiding een belangrijk onderdeel. Maar daarnaast vinden we wat je als maker wil vertellen ook cruciaal.

Wat voor filmmaker wil je zijn? Maak je de film die je zelf wil zien, of maak je de film die jij wil maken omdat je vindt dat het publiek die moet gaan zien? Het is de eeuwige discussie tussen film als autonome kunstvorm, of film als publieksgericht entertainment. Voor veel filmmakers geen eenduidige keuze, maar een heus dilemma.

Het is misschien wel hetzelfde dilemma dat ons als scenaristen altijd bezighoudt wanneer het om onze personages gaat. Want versus need. Wat wil mijn personage (aka het domme doel) dat vaak tegenstrijdig is met wat het personage nodig heeft - om zich emotioneel te ontwikkelen, tot een dieper inzicht te komen, of simpelweg te kunnen overleven.

Een film waarin het personage enkel een want heeft, creëert plotgedreven films met weinig diepgang, een film waarin het personage enkel zijn need volgt zonder duidelijke want, creëert vaak karaktergedreven navelstaarderij. Want en need, ze kunnen eigenlijk niet zonder elkaar, zoals de maker niet zonder haar publiek kan, ze zijn het centrale dilemma.

En pas wanneer want en need echt aan elkaar gewaagd zijn, ontstaan doorgaans de verhalen die ons op een dieper emotioneel en/of intellectueel niveau kunnen raken. Maar het zijn niet altijd de films waar we ‘zin’ in hebben, omdat ze ook ongemakkelijk kunnen zijn, een spiegel kunnen voorhouden, ervoor zorgen dat we niet kunnen wegkijken van de wereld om ons heen.

Hoe vertel je de verhalen die we nodig hebben aan een publiek dat hier misschien niet altijd meteen zin in heeft? En voor de duidelijkheid, die hang naar oppervlakkigheid komt bij de hele breedte van het publiek voor: praktisch- of theoretisch opgeleid, jong of oud, overal vind je publiek dat geneigd is weg te blijven bij diepgang.

Hoe kunnen we dat publiek dan toch uitnodigen om de rijkheid van een gelaagde film te willen ervaren? Wat geeft een film met andere woorden de Dolly Parton-factor?

Kijkend naar de tekst van een van haar bekendste songs Jolene, zag ik iets waar Van Diem het in zijn presentatie ook over had, toen hij vertelde hoe Emanuel Oberg aan de hand van de piramide van Maslow met de hierarchy of needs laat zien dat de brede basis van de piramide, die gaat over fysieke behoeften de meeste mensen aanspreekt, terwijl de smalle top van de piramide waar de meer intellectuele behoeften huizen, slechts voor een enkeling interessant is. Daar tussenin zitten nog de emotionele en relationele menselijke noden waar de gemiddelde mens zich ook wel mee kan vereenzelvigen. De boodschap van van Diem was: blijf weg bij die intellectuele top en ga vooral in de fysieke basis zitten. Oberg is hierover genuanceerder. Hij zegt dat een gelaagde film alle drie de niveaus moet aanspreken.

En dat is precies wat Dolly doet. Het eerste couplet van Jolene bevat een uitgebreide fysieke beschrijving van de schoonheid van Jolene met haar smaragdgroene ogen en een stem als zomerregen. Het tweede couplet is vooral een emotionele beschrijving die ingaat op hoeveel haar man voor Dolly betekent en het derde couplet gaat in op de onderliggende morele kwestie, Jolene kan elke man krijgen maar zoals het refrein steeds herhaalt doet Dolly een beroep op haar geweten: ‘Jolene, please don’t take him just because you can’.

Nu weet ik niet of Dolly Parton alleen de liedjes maakte die ze zelf wilde horen, of dat ze juist liedjes maakte waarvan ze vond dat het publiek die moest horen, maar het lukte haar in elk geval om haar publiek een ervaring te geven die zowel fysiek als emotioneel maar ook intellectueel binnenkomt.

En dus is het antwoord op de vraag die Sebastiaan Leeman ons als sector voorhield misschien opnieuw een wedervraag: ‘What would Dolly do?’